Dag Menno

posted in: krabbels in de marge | 0
100_9361 - kopie
Menno Wigman tijdens Dichters in de Prinsentuin 2016

 

Menno Wigman was een van de heel weinige dichters, die mij met een zekere regelmaat met het gevoel lieten zitten, dat ík dat gedicht had willen schrijven. Daarnaast was ik jaloers op zijn soepele stijl, melodieuze taal en de meedogenloosheid, waarmee hij fijntjes zijn en de wereld fileerde. Ook had hij voor mij persoonlijke betekenis, hij zat in de jury, die me tijdens een selectieslam selecteerde voor Onbederflijk Vers van 2006 en na afloop vroeg hij me, mijn gedicht groen zien  te mogen selecteren voor de Meulenhoff Poëziekalender van 2007.

In 2011 kwam ik hem weer tegen, hij zat in de jury van het NK Slam en gaf me een hoog cijfer – een 8,5 – voor de eerste ronde. Voor de tweede ronde gaf hij een bescheiden zeven, later in de rookruimte legde hij me uit dat hij drie van de vijf gedichten echt goed had gevonden en van de eerste twee geen woord had verstaan. Tja, dan hadden ze maar geen gratis drankjes voor de deelnemers neer moeten zetten, het zenuwenbiertje voor de tweede ronde bleek er een of eerder vier te veel, dat had ik op het podium al gemerkt. Bij die gelegenheid vertelde ik hem dat ik een gedicht had met eenzelfde inhoud als een gedicht van hem. Dat raakte toen in vergetelheid, maar toen ik hem 2016 in de Prinsentuin weer zag, sprak ik hem er nog eens op aan en hij wilde het graag lezen. Hij was gestopt met roken, dat was me opgevallen. Later schreef hij daarover dat hij het jaar ervoor de dood had gezien.

Uit dat contact ontstond een korte, maar leuke mailwisseling over poëzie, over veel en weinig schrijven, over doorlevingswerelden. Je merkte de bevlogenheid, maar tegelijk ook iets van de gespletenheid, waarmee hij naar poëzie keek. “Misschien nemen we beiden de poëzie te serieus”, schreef hij. Dat kan zijn, maar we hebben weinig keus, dat was hij dan wel weer met me eens. Ik snap hoe je zo mooi kunt schrijven en tegelijk kunt zeggen dat de poëzie je leven heeft verpest, al  die prachtige emotie moet eerst geleefd  en dat kan behoorlijk aan je uithoudingsvermogen vreten.

Ik ga hem missen. Niet alleen zijn gedichten, maar ook die veel meer omvattende liefde voor poëzie en taal, niet alleen voor zijn eigen gedichten, maar voor ieder goed gedicht, ongeacht naam of afkomst. Die eigenschap maakte hem in mijn ogen pas echt tot een groot dichter, meer nog dan zijn gedichten zelf. Als mens vriendelijk, bescheiden, scherpzinnig, gevoelig en aanraakbaar. Ik hoop dat bij zijn sterven een laatste woord heeft mogen spreken, ik weet zeker dat het verrijkend was geweest. Rust uit en reïncarneer alsjeblieft, de poëzie heeft je nodig.

 

Glazenwasser ziet schilderijen

Auto’s, gelach, geraas: alles slaat dood
op zeven hoog. Ik hoor alleen mijn spons

en het verkouden knarsen van het staal
waaraan ik hang. Soms spreekt een wolk mij aan

of gis ik wat een meeuw te zeggen heeft.
De mensen: druk, wit, stemloos, achter glas.

Op acht hoog kunst. Dat meisje daar, die lach,
wie heeft haar zo bespied dat ze immuun

voor complimenten mijn gezicht in kijkt?
En wanneer breekt die sperwer uit zijn lijst?

Ik hang hier als een ijskoud schilderij
waar niemand oog voor heeft, ik poets en zwoeg

en maak het uitzicht vrij – schilder er maand
na maand onvervalste wolken bij.

Kijk. Daar kruipt al zonlicht in mijn lijst.

Menno Wigman, 2012

facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail

Leave a Reply